ont-moeten

Mijn leven is een oefening in ont-moeten

Aanvankelijk, toen ik mij bewust werd van wat wezenlijk aanraken in taal, van wat werkelijk contact maken kan zijn, kwam ik tot het inzicht dat ook ontmoeten in beeld de essentie van beide kan raken.

Jarenlang beijverde ik mij in het beoefenen en doorgeven van de elementen van video-interactiecommunicatie. Een wijze van kijken naar interactie die in haar basis oordeelvrij is: los van interpretaties, nauwkeurig waarnemend en met aandacht voor de balans tussen geven en nemen.

In opvoeding, gezin, kinderopvang en scholen keken we via video-opnamen naar wat er werkelijk gebeurde in de interactie.

Wie neemt initiatief?
Wie ontvangt?
Wie volgt?
Wie voegt iets toe?
Waar wordt afgestemd?
Waar stokt de stroom?
En waar ontstaat ineens dat wonderlijke ogenblik waarop twee mensen elkaar werkelijk vinden?

Het werd voor mij een indringende leerschool in het vrijwaren van communicatie van ideeën en vooropgezette betekenissen.

Eerst kijken naar wat zich toont.

Misschien ligt daar al een vroege bedding van wat ik nu fenomenologisch luisteren noem.

Het ont-moeten bleef en blijft daarin mijn focus.

Ont-moeten: het moeten even afleggen. Niet reeds weten wie de ander is, wat iets betekent of waar een ontmoeting naartoe zou moeten leiden. Ruimte laten voor wat zich tussen twee polen nog vormen wil.

Daar wordt de basis gelegd voor relationele betekenisontvouwing.

En tot mijn verwondering herken ik nu, zoveel jaren later, diezelfde beweging in mijn beeldend werken.

Ook daar kijk ik naar een interactie.

Niet langer via een videocamera naar twee mensen, maar schouwend en luisterend naar kleur, lijn, ruimte, beweging — en naar wat er gebeurt wanneer een beschouwer voor het beeld verschijnt.

 

Opnieuw dienen zich die oude vragen aan:

Wie neemt het voortouw?
Wie volgt?
Wie voegt toe?
Waar antwoordt iets op iets anders?
Waar ontstaat spanning?
Waar opent zich ruimte?
En waar is dat nauwelijks grijpbare moment van samen ZIJN?

Het wezenlijke gebeurt tussen.

Niet in het doek alleen.

Niet in de beschouwer alleen.

Maar in de levende ruimte ertussen.

Daarom voelt het voor mij steeds minder passend om te zeggen:

  • het schilderij heeft een betekenis;
  • de beschouwer geeft het een betekenis.

Liever:

  • tussen schilderij en beschouwer kan betekenis ontstaan.

 

Niet als iets wat van tevoren klaarligt en slechts ontdekt hoeft te worden. Ook niet als iets wat de beschouwer naar willekeur op het beeld plakt.

Betekenis kan zich ontvouwen in de ontmoeting.

Misschien is dát wel de stille draad die door mijn leven loopt.

Van communicatie naar beeldhouwen.
Van steen naar verf.
Van spreken naar luisteren.
Van weten naar waarnemen.
Van betekenis geven naar betekenis laten ontstaan.

Mijn beelden lijken mij steeds vaker toe te fluisteren:

“Kom naast mij staan.
Laten we niet te snel weten.
Laten we samen luisteren
naar wat zich tussen ons en het beeld ontvouwt.”

De verschijning zoekt geen eigenaar.

Zij zoekt een ontmoeting.

En ineens kan ik mijn eigen ontwikkelingsweg ook anders lezen.

Misschien ben ik geen schilder die af en toe ontmoetingen schept.

Misschien ben ik een mens van de ontmoeting, die daarvoor achtereenvolgens woorden, steen, verf en stilte heeft gebruikt.

De middelen veranderden.

Het gebaar bleef.

Nog steeds probeer ik ruimte te openen waarin iets kan verschijnen wat geen van ons alleen had kunnen voortbrengen.

En misschien is dat voor mij wel de diepste betekenis van ont-moeten:

niet maken wat verschijnen moet,
niet bepalen wat iets betekenen moet,
maar aanwezig zijn wanneer iets zich aandient.

En dan rest mij telkens opnieuw diezelfde verwondering.

Alsof ik even mijn handen open en verzucht:

Wat valt me toch toe?

 

 

Reacties zijn gesloten.